Karma

Zwetend fiets ik door de Nieuwe Ebbinge. Wanneer ik bij het theater arriveer snel ik naar de toiletten. Mijn telefoon bliept aan een stuk door. Nikki, die vraagt of ik er al ben. Een groot deel van de voorstelling schuif ik ongemakkelijk op mijn stoel heen en weer. Zere nieren, pijn in m’n rug en maag, warm… koude rillingen… Een uur later zakt het langzaam weg. Wat is er toch aan de hand?

Miepjes, noemde ik ze altijd; die foodie-fitgirls met hun lifestyleblogs die een paar jaar geleden ineens mijn tijdlijn overnamen. Vroeger aten ze bij mij aan de bar de ene ham-kaastosti na de andere en dronken ze daarbij grote glazen chocomel. Nu prediken ze dood en verderf over gluten en melkproducten, waar ze ineens allemaal ontzettend allergisch voor beweren te zijn. Die sneeën speltbrood met avocado, die ik regelmatig zorgvuldig gestyled op Instagram voorbij zie komen, tellen hierbij kennelijk niet. En ook de couscoussalade met biologische groenten en geitenkaas wordt na de foto klaarblijkelijk probleemloos verorberd.

Toen ik vorig jaar op een zomeravond achtereenvolgend over tien salades, een recept voor glutenvrije veganistische cheesecake en een groot glas watermeloen-water-met-munt (“mijn nieuwe verslaving!”) scrolde, knapte er ineens iets in me. Ik typte een flinke tirade ‒ dat ik helemaal klaar was met dat overdreven gedoe ‒ en verwijderde of blokkeerde alle foodies van mijn vriendenlijst. Alleen Eefje en Melissa mochten blijven, omdat die allebei gediplomeerd diëtist zijn.

Je kon me nog meer vertellen; hipster-diva modegril, a la, dat is je goed recht, maar ga niet met je diploma geschiedenis of communicatiewetenschappen de voedingsdeskundige uithangen. Als we vroeger samen ijsjes en witte broodjes kroket aten, en liters Baileys wegtikten op de dansvloer, dan heb je geen allergie of intolerantie. Vroeger niet en ook nu niet.

Dus.

“Ehm, euh, heb je ook sojamelk?” mompel ik, terwijl ik voel dat ik langzaam roodkleur.

Ik sta in mijn favoriete literaire cafeetje, waar ik graag een schrijfpoging doe als het thuis niet lukken wil. Vriend is vrij vandaag en heeft een oorlogsfilm opgezet.

“Nou… toevallig wel,” zegt het meisje achter de bar verrast. “Dat heb ik laatst toch maar gehaald, omdat er zoveel naar gevraagd wordt. Ben je veganist geworden?”

“Spontane intolerantie,” ongemakkelijk schuif ik heen en weer. Voor de zekerheid zeg ik er nog maar achteraan: “Ik zweer dat ik geen hipster ben!”

Karma is een stomme trut.

Een paar weekenden geleden begon het: pijnlijke krampen in mijn maag die vrijwel meteen daarna uitstraalden naar m’n nieren, klotsende oksels en gênante buikgeluiden. Waar het vandaan kwam, geen flauw idee. Tot ik me op de fiets naar een toneelvoorstelling van een vriend realiseerde dat ik nog snel even een bakje Turkse yoghurt naar binnen gewerkt had voordat ik de deur uitsjeesde. En dat de vorige aanval, de dag daarvoor, ook vrijwel direct na zo’n zelfde bakje yoghurt was begonnen.

Maar had ik gisteravond op dat feestje bij Max niet probleemloos drie soorten kaas gegeten?

Toch zie ik een patroon: Polen en Moldavië missen tijdens de eerste semi-finale van Eurovisie ‒ vlak daarvoor een restje Ben & Jerry’s. Plotseling niet goed wanneer vriendinnen komen eten ‒ potje crème fraîche door de hartige taart. Buikpijn tijdens het stofzuigen ‒ een scheutje melk in de koffie.

Ik besluit om maandag de dokter te bellen. Het is leuk dat de online fora op mijn telefoon allemaal beamen wat ik vinden wil, maar voordat ik het mezelf en de mensen om me heen onnodig moeilijk maak wil ik de boel eerst zwart op wit.

“Ik heb even met de dokter overlegd en dit klinkt inderdaad als lactose-intolerantie, mevrouw,” vertelt de assistente me over de telefoon. “Maar dat testen we eigenlijk bijna nooit meer. Bij de meeste mensen gaat dit na een tijdje weer over, dus we raden u aan om zes weken lactosevrij te eten en het dan voorzichtig weer te proberen. Mocht u daarna nog steeds problemen hebben, kunt u weer contact met ons opnemen.”

Soms vraag ik me af waar ik die zorgverzekering nou eigenlijk voor betaal.

Mijn eigen dokter wil me dus niet spreken, maar dokter Google heeft genoeg te melden. Zo lees ik dat je wel degelijk over de loop der jaren langzaam een voedselintolerantie op kan bouwen. En dat kaas niet of nauwelijks lactose bevat, waardoor de meeste intolerante mensen dit probleemloos verteren kunnen.

Boodschappen doen lijkt ineens moeilijker dan zoeken naar een spelt in een hooiberg. Zelfs kroepoek blijkt niet honderd procent veilig te zijn. Na een bezoekje aan de snackbar zit ik hondsberoerd op de bank. En dat was nog wel na lang overleg met de zogenaamde allergie-expert daar, die dacht dat de kippenvleugeltjes wel konden omdat daar een ander soort paneermeel omheen zit.

Maar ja, ik begin die foodiementaliteit onderhand wel te begrijpen: als je iets niet meer mag ‒ al dan niet van jezelf ‒ is dat al snel het enige waar je aan denkt. Ik was laatst zo extatisch toen ik de perfecte crème fraîche vervanger ontdekte dat ik het bijna op Facebook deelde. Bijna.

Zo lang het goed gaat bruis ik van de energie en loop ik zingend rond, maar ondertussen hallucineer ik over zelfgemaakte chili met grote klodders zure room en aardappelpuree met boter en volle melk. Hoopvol tel ik de weken af.

Gelukkig zijn foodies toch nog ergens goed voor, bedenk ik me terwijl ik achter mijn laptop aan de stamtafel een soja-latte drink, die eigenlijk best lekker is. En even ben ik blij dat de winterspullen nog niet in de kelder liggen. Voorlopig heb ik de mutsen nog nodig.