Koningen

Drie man breed staan ze voor de sigarettenbalie. Twee strak in pak, eentje in pyjama en op pantoffels. Niet dat ik dat in eerste instantie kan zien, want achter hen heeft zich inmiddels een flinke rij gevormd. Horen kan ik ze echter al meteen. “Kerel,” brallen ze tegen het piepjonge personeelslid dat achter de balie staat, “supermooi, gast.”

Kwalletjes, denk ik voor ik er zelf erg in heb. Maar wanneer ik even door de rij heen kan kijken schiet ik toch in de lach: ouder dan de arme jongen die ze helpen moet zullen ze niet zijn. Net door papa en mama naar de stad verhuisd, de kamertjes nog maar half ingericht. Ikea bouwpakketjes en overtallig servies van oma.

Uit de frisse blotebillengezichtjes komen extra dik aangezette hete aardappels en overdreven heesheid. Sigaren moeten ze hebben, blijkt. En dat ze geen flauw idee hebben welke overcompenseren ze dan maar met luide pretentie.

“Doe de grootste maarrr,” blaat een van hen, terwijl hij op z’n tenen staat om tijdens het instrueren zo ver mogelijk over de balie te kunnen hangen. Met zijn elleboog stoot hij bijna de duidelijk net in de aanliggende slijterij aangeschafte fles wodka om, die daar triomfantelijk is neergezet. Een trofee.
“Nee, die met de meeste,” brult nummer twee. De jongen van de supermarkt bestudeert twijfelend de achterkant van de doosjes in het schap. Ook hij mist de nodige sigarenkennis.

“En welke sigaren raad u aan, mevrouw?” lalt de derde tegen de oudere dame achter hem.
“Sigar’n?” bromt die. “Die rook ik ja nait.” Inmiddels is een extra personeelslid opgetrommeld om de rest van de rij weg te werken. De dame bestelt haar Belinda’s en ook de corpsballetjes lijken een keuze gemaakt te hebben. Op maximaal volume wensen ze haar nog een fijne avond. Net als ik ziet ze de humor er ook wel van in. “Is goud, mien jong.”

Geamuseerd kijk ik ze na. De tengere lijfjes waarop waarschijnlijk zeer spoedig de eerste tekenen van overmatige bier- en shoarmaconsumptie verschijnen zullen stappen vrolijk en trots door de met reclame behangen schuifdeuren. Koningen van het eerste uur. Eigenlijk gewoon strontvervelend, maar tegelijkertijd op een of andere manier toch zo verdomd aandoenlijk.

Dit is het moment waarop ik stiekem verwacht dat een groot deel van de lezers al in de startblokken staat om te reageren met ‘dat zal wel weer van dat tuig van Vindicat zijn’. Ik heb geen flauw idee of dat zo is, laat staan of het hier uitmaakt. Overigens ken ik genoeg mensen bij die vereniging om met volle zekerheid te kunnen zeggen dat niet iedereen die daar lid is restaurants sloopt of ontlasting op muren smeert. Het wachten is op de #notmyvindicat hashtag.

Volgens mij wanen vrijwel alle eerstejaars studenten zich aan het begin van hun studietijd koning en god tegelijk. Ergens heel logisch. Uit het zicht van het thuisfront, de wereld aan je voeten. Een nieuwe omgeving waar vrijwel niemand je nog kent en je dus wie of wat je maar wilt kunt zijn. Daarnaast heb je ook nog eens oneindig veel energie omdat je evolutionair gezien op het punt bent beland dat je dag en nacht voor kleine kinderen hoort te zorgen. Nee, dat studenten zich onoverwinnelijk voelen is zo vreemd nog niet.

Vijftien jaar geleden was ik ook een tijdje zo. En het exacte punt waarop mijn persoonlijke godswaan intrad kan ik me nog goed herinneren. Dat was om halfacht ’s ochtends na de eerste KEI-weeknacht, op het moment dat ik met mijn sleutel het slot van mijn studentenkamertje opendraaide. Ineens realiseerde ik me dat ik naar niemand toe hoefde te verantwoorden waarom ik een hele nacht had doorgehaald. Hier kan ik wel aan wennen, dacht ik. Het slot maakte een klikgeluid; in mij klikte er ook iets.

Als ik een stripfiguur zou zijn, dan was dit het moment geweest waarop ik met uitstrekte armen en benen en een goudgele gloed om me heen een halve meter de lucht in gesprongen was, à la Asterix met z’n toverdrank ‒ zo voelde ik me. Al was dit laatste wellicht ook te wijten aan de rode wodka-red bull met een rietje die je die avond voor twee euro vijftig en een KEI-bonnetje bij de Molly Malone’s kon krijgen.

Die week zoende ik in een zwembad vol bier met mijn KEI-leider en liet ik een stuk chirurgisch staal door mijn navel jassen. Een maand later belde mijn moeder of ik ook nog een keertje terug naar het zuiden kwam.

En terwijl ik in de supermarkt de drie koningen naar buiten zie hossen, vraag ik me ineens af wanneer ik het eigenlijk kwijtraakte. Dat punt is toch een stuk vager. Begon dat toen ik tijdens de eerste tentamens tot de conclusie kwam dat ik misschien wat minder colleges zou moeten skippen, hoe gezellig mijn bed ook was? Geen flauw idee.

Vriend denkt dat hij het pas verloor toen hij na het afstuderen kennismaakte met de harde realiteit van het werkende leven. Bij buurman Koen werd het er al tijdens zijn tweede week in Groningen uitgemept door een stadjer in een bomberjack die vond dat hij niet zo’n grote bek moest hebben en oud-huisgenoot Van Kanntelen voelt zich volgens mij nog steeds prins pils de tweede.

En ja, wellicht donderen, na de realisatie dat een boze bovenbuurvrouw je enigszins uit de hand gelopen sushifeestje gefilmd heeft, deze filmpjes nu bij de politie liggen en de vereniging een beurs van ruim 33.000 euro misloopt, op dit moment wel een stuk of honderd feuten tegelijk keihard van hun goudgeelgekleurde troontjes. Dat ze later onze doctoren, advocaten en ministers worden weet ik nu wel. Op dit moment zijn ze vooral de sigaar.