Minimalisten

“Ja leuk, maar waar laten we die?”

Waarschijnlijk was dit niet de reactie die mijn vriend verwachtte toen hij me vorige week een grote bos rozen overhandigde voor Valentijnsdag. Ik zei er zelfs nog achteraan: “Dat had ik je misschien ook van tevoren moeten zeggen. Maar ik dacht echt dat je daar zelf wel aan gedacht had.”

Geen rotzooi meer in huis: dat waren mijn vriend en ik vorige zomer overeengekomen nadat we door een met logeerpoes meegekomen vlooienplaag het hele huis ondersteboven moesten keren. Vuilniszakken vol freubels gingen de container in. Heerlijk. Maar ja, hoe pak je dat aan met Valentijnsdag? Als de media je er hardnekkig op blijft attenderen dat je zonder die stortvloed aan hartvormige fonduesetjes en enorme, kitscherige kaarten een a-romantisch, harteloos kreng bent dat de liefde niet waard is?

Nou heb ik persoonlijk meestal niet echt moeite met dat laatste. Mijn laatste zweempje romantiek vervloog al op Valentijnsdag 2003, toen een geliefde me om acht uur ’s ochtends bij het Harmoniecomplex dropte en op mijn fiets naar zijn jaarclubweekend vertrok, met de mededeling dat we elkaar maandag wel weer zagen. Alleen is mijn huidige levensgezel een heuse casanova die me ‘zijn meisje’ noemt en de hele wereld vertelt dat hij met me wil trouwen. En dus had ik − na de nadrukkelijke afspraak dat we, ook al deden we dan wel aan Valentijnsdag, allebei geen onnodige troep voor elkaar zouden kopen − champagne en chocolaatjes meegenomen (had ik er zelf ook nog wat aan), een kaart met hartjes gekocht (waar ik nog iets in moest schrijven) en was ik die dag op tijd thuis. Wat wil je nog meer.

“…In de keuken dan maar?” oppert mijn vriend voorzichtig.
“Waar dan?” brom ik. “We moeten zo ook nog koken en afwassen, hè.”

Ik snap dat ik nu inderdaad overkom als dat a-romantische, harteloze kreng waar ik het eerder over had. Toch is dit allemaal net iets ingewikkelder. Als we thuis een hele grote keuken met een kookeiland hadden, was dit bijvoorbeeld al een heel ander verhaal geweest. Dan was ik mijn lieve vriendje blij om zijn nek gevlogen en had ik hem overladen met hartstochtelijke zoenen, zoals het hoort. En dan had ik die mooie rozen daarna in een vaas gezet en er de hele week tijdens het koken en de afwas verliefd naar gekeken. Maar we hebben geen grote keuken. Wat we wel hebben zijn twee poezen.

Dachten wij de inboedel vorige zomer al aardig tot het minimum gebracht te hebben, deden zij er de afgelopen maanden nog een schepje bovenop. Of eerder: een schepje er vanaf. De laatste overgebleven ornamentjes vonden we als eerste in scherven op de laminaatvloer terug. Toen volgden de fotolijstjes. Daarna gingen de planten. De grootste minimalist kan hier nog van leren. Wat dat betreft zijn ze natuurtalenten. De keuken werd per direct tot poesvrije zone uitgeroepen vanwege het peperdure messenblok en de klassieke rij weckpotten op het aanrecht. Tot nu toe gaat dat goed.

Die rozen? Die staan nu dus bovenop een boekenkast te verleppen. Ze waren nog wel zo mooi. Een ding blijft gek genoeg wel nog steeds ongeschonden overeind staan: de kaart met hartjes, waarin ik na het ontvangen van de bos haastig “je bent niet altijd even praktisch, maar wel lief” pende. En zo is het.