Oud

“Ik ben een kind van de duivel. Mama, jij hoeft niet te huilen.” Ik sta op een grasveld en om me heen brullen honderden mensen met de DJ op het podium mee: “Feesten alsof elke dag hier mijn laatste is. Hoop dat je deze draait op mijn begrafenis.” Wat zingen ze?

Is dit een ding? Heb ik iets gemist?

Verward draai ik naar mijn vriendinnen: “Kennen jullie dit?”

Alina haalt haar schouders op: “Ik niet.”

Sierra kent het wel: “‘Kind van de duivel’,” zegt ze op een toon die kennelijk alles verklaren moet, “van Jebroer.” Het zegt me helemaal niets. “En van Paul Elstak,” voegt ze er aan toe, “die ken je toch wel?” Die wel, ja. Van vroeger.

De beat en bas zwellen aan en om me heen gaat iedereen kneiterhard uit z’n plaat. Alina krijgt een harde duw en een halve beker bier over zich heen. Vlakbij ons klimt een jongen in een boom. De menigte juicht. En ik? Ik voel me oud.

Welkom in het leven van een dertigplusser.

Nooit zou me dit overkomen. Daar was ik halverwege de middelbare school heilig van overtuigd. Elke dag zapte ik toen fanatiek van MTV naar TMF en The Box en terug, las ik elk woord dat in de Hitkrant en de Break-out verscheen, en leerde ik songteksten uit m’n hoofd met de boekjes die in de hoesjes van de cd’s zaten die ik van mijn zak- en kleedgeld kocht.

Popsterren waren helden die het allemaal prachtig voor elkaar hadden. Samen met Leonardo DiCaprio sierden ze de muren van m’n slaapkamer. Ik wist precies wie er met wie was en wanneer het weer uit was, en kon daar uren over praten.

Zo rond mijn zeventiende kwamen daar, dankzij de talloze oppasuren die ik draaide, ook nog de nieuwste modetrends bij. Hierbij verzweeg ik uiteraard dat ik in de brugklas een paar jaar daarvoor nog verward om me heen keek toen iedereen met “Wannabe” van de Spice Girls meezong, houterig de Macarena kopieerde en op bergschoenen van de Bristol liep. Maar gelukkig bleek dat mijn klasgenoten het vooral van hun kortetermijngeheugen moesten hebben, en herinnerde tegen de eindexamens niemand zich meer dat ik mijn middelbareschoolcarrière startte met jampotglazen en een buitenboordbeugel. Uitgaan, dates, hip, hot en happening, ik was erbij en niets was belangrijker.

En nu sta ik hier dus, tussen tieners en twintigers die uit hun dak gaan op muziek die ik niet ken terwijl ik me op haast moederlijke wijze zorgen maak over het welzijn van een minstens tien jaar jongere dronken boomknuffelaar. Wanneer is dat gebeurd?

Sinds wanneer moet ik überhaupt door vriendinnen overgehaald worden om op vrijdagavond mee te gaan dansen?  Wanneer ben mezelf te oud voor naveltruitjes gaan vinden en is winkelen een vervelende klus geworden? En waarom zie ik alleen nog maar rimpels wanneer ik mezelf op foto’s terugzie?

Sinds wanneer is de wereld geen groot en eeuwigdurend festival meer waarop ik alles vrolijk mee kan zingen?

Ik weet het zeker: dit is het begin van de aftakeling. Straks word ik net als tante Kaat, de zus van mijn oma, die zich eind jaren negentig in een kamer vol bezoek hardop afvroeg wat nou toch die “punten-nel” was waar ze het op de televisie ineens zo vaak over hadden…

“Nou, Baard,” grinnikt oud-huisgenoot van Kanntelen wanneer ik anderhalve week later in mijn schoonmaakkleren bij hem thuis op de bank hang omdat we een pré-laatste flatbaravond-feestje vieren, “Ik heb toch een mooi nummer voor je…”

Baard, die tijdens onze studententijd een nogal kenmerkende kledingstijl had, gniffelt even. Jebroer blijkt het ook goed te doen op Black Metalfestivals. Maar inmiddels ken ik de woorden ook van buiten. Wanneer je op je vakantieadres aan het zwembad zelfs de allerschattigste kleutertjes in het pierenbadje vrolijk over drugs op hun kist hoort rappen valt het stiekem toch moeilijk te missen. Dan besluit Baard zelf iets op te zetten.

“Whaaaaaaaaargh, aaaaaaaaaaah, my dark desires, whaaaaarhgrr,” grunt de zanger.

“Klassiekertje,” zegt Baard. Hij glimlacht tevreden.

Ineens realiseer ik me dat ik na bijna vijftien jaar vriendschap misschien vijf nummers uit zijn zeer uitgebreide cd collectie mee kan zingen. En dat dat eigenlijk helemaal niets uitmaakt.

Laat de tweens hun eigen feestjes maar houden. Ondertussen feesten wij toch wel samen door. Daar kan geen rimpel tegenop.