Pennywise

WAARSCHUWING: DEZE BLOG BEVAT SPOILERS VOOR DE FILM EN MINISERIE VAN STEPHEN KINGS IT

Als ik mijn telefoon voor de vijfde keer check is het half vier. Opnieuw wakker met een stoot adrenaline en een hart dat razend tekeer gaat. Even twijfel ik of het niet verstandiger is om op te staan. Want ik weet: zo gauw ik inslaap springt hij gewoon weer tevoorschijn. Pennywise…

Pennywise en ik hebben een lange, gecompliceerde geschiedenis. Horror, dat kwam er namelijk bij ons thuis niet in vroeger. “Daar krijgen jullie toch alleen maar nachtmerries van,” vond m’n moeder. Met diezelfde redenatie werd ook Alfred Jodocus Kwak na aflevering drie (die met de grote, doemende guillotine) uit de huiskamer verbannen en ging de televisie elke doordeweekse avond tussen Sesamstraat en het Klokhuis een kwartiertje uit vanwege Het jeugdjournaal.

Maar een keer per jaar gingen mijn moeder en haar vriendinnen met al hun kinderen kamperen. Net als in het liedje van Sugar Lee Hooper, maar dan zonder de mandoline en met rode wijn in vierliterdozen. En ik mocht dan met twee vriendinnetjes in een tentje slapen, waar we elkaar griezelverhalen vertelden. Bakte ik zelf vrij weinig van ‒ niet zo gek ‒ maar gelukkig was een van die twee vriendinnetjes een paar jaar ouder dan ik en had zij ook nog eens een oudere broer.

“Ik heb een hele enge film gezien,” begon ze dan. “Het was met een clown die kinderen opeet. En hij heeft ballonnen met bloed erin. It, heet ‘ie.”

“Huuuuuuuh…,” griezelden het andere vriendinnetje en ik. Prachtig was het. En elke avond, wanneer we na een dag zwemmen weer in de tent lagen, vroegen we opnieuw: “Vertel nog eens, over die film?”

“Er stond een jongetje onder de douche,” ging ze dan verder. En toen kwam de clown uit het afvoerputje. En toen was er overal bloed!” Of: “Een vrouw dronk een kopje thee. Maar het was geen thee… het was bloed! En toen moest ze gillen en rende ze weg!”

Ik wist het zeker: dit moest wel de engste, gaafste film ooit zijn. En ik mocht ‘m dus niet zien. Elke trip naar de videotheek probeerde ik het weer. Ik pleitte… Ik smeekte… Maar nee. Ook mijn fanatieke pogingen het boek de bibliotheek uit te krijgen liepen op niets uit. We moesten het met Mary Poppins doen.

Achteraf heb ik zo het vermoeden dat het vriendinnetje de boel aardig heeft aangedikt, want toen ik op de middelbare school eindelijk een videoband wist te bemachtigen viel het me allemaal maar vies tegen. Niets geen enge momenten waar ik me al jaren op verheugde, maar Tim Curry, die van zichzelf vrij veel weg heeft van een muppet, verkleed als een vooral nogal irritante clownsverschijning in een verhaal waar ik geen jota van snapte.

Is dat het nou? dacht ik.

Er zouden nog vele keren volgen dat meneer King me hevig teleurstelde.

Toch ging ik onlangs naar de nieuwe verfilming van It. Niet omdat ik verwachtte dat deze versie wel eng zou zijn, maar omdat de trailer er toch wel erg mooi uitzag. Wat ik verder trouwens nog minder verwachtte was dat ik foeterend als een helicopterouder in de bioscoopzaal zou zitten. Verontrustend, vond ik ‘m vooral, deze film waarin veel te veel oude mannen verlekkerend naar de pak ‘m beet dertienjarige Beverly Marsh loeren, pubers elkaar zonder ernstige consequenties met joekels van stenen bekogelen en pestkoppen met een stiletto hun initialen in iemands buik kerven zonder dat iemand er ook maar aan denkt een vorm van autoriteit ‒ politie, ouders, wie dan ook ‒ hierover in te lichten.

“Dit is geen goed voorbeeld voor de jongere kijkertjes,” mopperde ik tegen vriend. “Zo komen ze op slechte ideeën en je zult zien dat er straks nog iemand gewond raakt.” Toen hij in de lach schoot, besefte ik ineens dat ik in mijn vader begin te veranderen: die is er al jaren heilig van overtuigd dat het gewelddadige gedrag onder hangjongeren te wijten is aan “The Game of Thrones”.

Maar nee, eng was de film niet. Sterker nog: een hoop van de zogenaamde griezelmomenten maak ik al drie jaar wekelijks mee in het huis van een van mijn thuiszorgcliënten. Ook daar gaan deuren vanzelf open, hangen schilderijen van het een op het andere moment ineens scheef en meen ik af en toe stemmen te horen op zolder. Tocht, noemen we het daar. Met een ding had ik alleen geen rekening gehouden: de jumpscares. En dat waren er veel. Heel veel. Elke keer als Pennywise uit het niets tevoorschijn sprong schrok ik me opnieuw het leplazarus.

En dat laatste is dus toch op een of andere vreemde manier blijven hangen. Clownliefhebber was ik sowieso al nooit, en het gegeven dat er nu al nachtenlang elke keer als ik indommel eentje met vlijmscherpe kleine tandjes en een lui oog vuilgrijnzend zijn plotselinge entree maakt stemt me nou niet bepaald vrolijk. Energieloos schuifel ik de dag door. Vervloek ik stilletjes iedereen van Stephen King en Andy Muschietti tot Bassie en Adriaan. Vraag ik me af hoe lang deze ongein nog duren zal voor ik weer een volle nacht slaap kan krijgen.

Lang, vrees ik. Want toen ik afgelopen nacht de tijd doodde met Google las ik dat Bill Skarsgård, de acteur die Pennywise speelde, twee weken heftige nachtmerries van zijn eigen clownsgezicht had. Hij had er zelfs zoveel last van dat hij een tijdje twijfelde of hij wel aan het tweede deel mee moest werken. Dat belooft dus nog wat. Ook voor deel twee.