Scandinavische deur++

Taalloos word je zeker niet geboren: al vanaf de eerste seconde weet je jezelf met huiltjes en kirtjes al aardig uit te drukken. Daar zijn hele studies aan gewijd. Alle baby’s in de wereld spreken in feite dezelfde taal. Maar dan word je groter en leer je woorden. Dat lukt niet iedereen, maar de meesten van ons wel. Gretig absorbeer je alles wat je ouders en directe omgeving je aanleveren. Je leert praten zoals de mensen om je heen praten. Soms een taal, soms meerdere. Een noordelijke knauw, een Gooise r of een zuidelijke g. “Friet” of “patat”. Als je dat niet doet val je al snel buiten de boot. Daar kan ik dan weer over meepraten.

Wat er precies in die eerste achttien jaar Brabant voorgevallen is dat ik het plaatselijke dialect amper spreek, Joost mag het weten. Maar dat ik de hete aardappel van het gymnasium gek genoeg wel vrijwel direct automatisch overnam maakte me in de schoolbus nou niet bepaald populairder. En daar bleef het niet bij: ik vertrok naar het Hoge Noorden. Naar een universiteitsstad. Een smeltkroes van talen en accenten, waar hele groepen mensen tegelijkertijd ook weer compleet langs elkaar heen kunnen leven. Dichtgetikt en ook weer niet. Vijftien jaar woon ik hier deze week. Vijftien jaar aan zelfstandigheid en levenslessen. Maar ook vijftien jaar aan woorden en termen die ik op de meest vreemde plekken in stad en ommeland heb opgepikt.

Net als de stad zelf is mijn vocabulaire dus inmiddels veranderd in een smeltkroes van, onder andere, studententaal, juppenjargon, en plat Gronings dat ik niet plat uitspreek. Het gevolg hiervan is alleen wel dat haast niemand me meer echt begrijpt. Zo kijken de thuiszorgcliënten me vreemd aan als ik ze vertel dat we thuis vanavond een “agv’tje” eten (studententerm) en krabt vriend op z’n hoofd als ik hem zeg dat de tafel met een “sloffen doekje” afgenomen moet worden (overgenomen van een cliënt die uit Friesland komt). Eefje wist op haar beurt weer niet wat ik met “kaakjes” bedoelde. (“Is dat Rotterdams?”)

“Dat is Gronings,” moest mijn moeder onlangs aan de visite uitleggen, toen ik meldde dat we ‘net uit het Noorden wegkwamen’.

En dan heb ik het nog niet gehad over de nogal aparte uitdrukkingen die mensen zelf kunnen ontwikkelen wanneer ze langere tijd op elkaars lip zitten. Bij mij komen die dus om onverklaarbare reden ruim tien jaar later nog steeds hardnekkig omhoog borrelen. Zo was “duizend” twaalf jaar geleden een dingetje op de studentenvereniging. Dat gebruikte je dan in plaats van “heel veel” of “erg”. Ik kom er al eeuwen niet meer, maar af en toe vliegen termen als “duizend druk” of “duizend eten” nog steeds spontaan m’n mond uit. Hetzelfde gebeurde laatst ook met het achtervoegsel “++”, wat je uitspreekt als “plusplus” en “extreem” of “super” impliceert. “‘Murica++” typte ik op Facebook in een reactie ‒ “extreem Amerikaans”. Pas na het posten herinnerde ik me dat het van Selwerd kwam, afgeleid was van het illegale downloadprogramma DC++, en dat ik het overgenomen heb van Sas, nadat die in 2009 met “stripster++” onder een Hyvesblog van mij reageerde die over de striptease act op het flatfeest ging. Taal is een fascinerend iets.

Alleen werd ik er vorige week ook op een nogal aparte manier aan herinnerd dat taal soms ook een iets met meerdere betekenissen kan zijn.

Dat heeft alles te maken met de KEI-week. Niet de KEI-week die op dit moment bezig is, maar die van precies vijftien jaar geleden, toen ik zelf blue en hyper kennismaakte met mijn nieuwe woonplaats.

Het zit zo: ik had KEI-leiders. En die KEI-leiders hadden een motto: de hele nacht door riepen ze “en deur!” Dat was “en door” op z’n bekakts, omdat ze gymnasiumdiploma’s hadden en uit Oosterbeek kwamen en omdat een aantal van hun voormalige klasgenoten, die ook mee kwamen feesten, aan het eind van de week lid werden bij Vindicat. Maar omdat een van die oud-klasgenoten daarnaast ook Zweeds ging studeren, veranderde “en deur” al snel in “én dør”. ‘Op z’n Scandinavisch.’ Dat laatste verschil kon je natuurlijk niet horen; alleen maar lezen. Wat het uiteraard nog leuker maakte omdat je het dan alleen maar begrijpt als je erbij hoort. En dat deed ik, want ik kreeg dikke verkering. De relatie hield geen stand, de “én dør” wel.

Het werd mijn eigen motto bij een nacht doorhalen. Vijftien jaar lang deelde ik het over alle social media: MSN, Hyves, Twitter, Instagram, en natuurlijk ook op Facebook. Zo ook afgelopen week, na nachtdienst nummer drie. Door ongelukkige planning moest ik diezelfde ochtend namelijk opnieuw aan het werk. Nadat ik in het ochtendgloren naar huis geracet was om daar snel te douchen, ontbijten en een energiedrankje of vier achterover te slaan, kon ik het vlak voordat ik weer op de fiets sprong niet laten om een update te plaatsen. Alleen heeft Facebook sinds kort ook de mogelijkheid om je berichten een gekleurde achtergrond te geven, en koos ik voor zwart. Op een of andere manier deden de woorden me ineens aan de uitgebreide Scandinavische metalcollectie van oud-huisgenoot Baard denken. Ik tikte op “plaatsen” en vloog de deur uit.

Maar onderweg begon mijn telefoon ineens druk te bliepen. Vijf ‘wow’-emoticons. En een reactie van Nikki, die ooit een half jaar in Noorwegen studeerde: “Uhm, de scandinaviër in mij schrikt hier lichtelijk van”

Gestrestst was ik sowieso al die ochtend, maar nu brak het zweet me ook letterlijk uit. Riep en postte ik dan onbewust al vijftien jaar lang met enige regelmaat iets heel naars of schunnigs? Een Noorse variant op “stik de moord” of “beuk ‘m door de panty”?

“Dat je aan het sterven bent,” legde Nikki me over een privékanaal uit. “Overlijden betekent het”

“Het las als Gabrielle is stervende…”

Van schrik reed ik bijna op een tegenliggende fietser in. Het bericht had ik binnen twee seconden van mijn tijdlijn verwijderd. Dat was niet de bedoeling! De rest van de dag twijfelde ik of ik de rest van mijn KEI-groepje niet ook op de hoogte moest stellen. Of was dat dan superraar omdat ik ze al jaren niet meer spreek? Voor de duidelijkheid pakte ik de online vertaler er uiteindelijk toch ook maar even bij.

“Een deur,” zegt Google.

Juist.

Wat blijkt nu: “én dør” heeft in het Noors kennelijk twee betekenissen ‒ “iemand overlijdt” en dat van die deur. Dat zijn vast erg duidelijke gesprekken daar.

Op social media zul je het van mij in ieder geval niet meer tegenkomen. Of dat ook betekent dat ik het er nooit meer op een dansvloer of een feestje uitfloep na een paar drankjes is alleen niet te garanderen. Maar mochten er op zo’n moment toevallig Noren in mijn nabijheid zijn, weet ik het bij deze goedgemaakt: dan wijs ik gewoon snel naar de dichtstbijzijnde deur. ‘Die bedoel ik.’ Lang leve de linguïstieke ambiguïteit.