Twee kleine pannetjes

Christa was mijn allereerste eigen buurvrouw ooit. Ze woonde tegenover me op Hoendiep 2, een studentenflat waar alleen meisjes mogen wonen. De enige uitzondering hierop was Olaf, een gezellige Vindicater die ietsje verderop op de gang woonde, omdat daar een aangepaste kamer zat.

Mijn kamertje was me toegewezen door de IN, zoals huisvesting Lefier toen nog heette, want dat gebeurde toen nog. En ik wilde ‘m niet. De eerste keer dat ik er kwam kijken woonde er een hippiemeisje dat zich liever bezighield met dierenactivisme dan met schoonmaken. Mijn schoenen plakten aan de vloer, de muren van het kleine keukentje waren geelbruin uitgeslagen en er hing een weeïge wierookgeur.

“Je hebt niets te willen,” vond m’n moeder, “je weet hoeveel kamernood er is”.

De muren waren te verven en over het plakkerige zeil kon een laminaatvloertje, maar ondanks talloze verwoede schoonmaakpogingen rook mijn allereerste eigen stekkie nog maandenlang naar mufzoete wierook. Sinds die tijd heb ik zelf amper een stokje aangeraakt.

Christa was dertig en al heel lang afgestudeerd. Ze had een relatie met haar baas gehad en was daar een half jaar later, naar eigen zeggen, nog steeds niet overheen. Als achttienjarige snapte ik daar vrij weinig van. Als het uit was, dan was het toch gewoon klaar? Mijn eigen ervaring met exen ging op dat moment niet veel verder dan Frits, met wie ik toen ik vijftien was een paar maanden lang op de bank naar Jerry Springer had zitten kijken, maar enfin.

Als ik bij Christa aanklopte ‒ zo rond etenstijd, want daarvoor was ze niet thuis kwam ik al snel achter ‒ stonden er meestal twee kleine pannetjes op het tweepits gasstelletje in haar kleine keukentje te pruttelen. In het ene lag altijd een klein stukje vlees en in de ander een paar aardappeltjes. Keek ik dan verder langs haar heen, dan zag ik nog een haastig opgevouwen slaapbank, en een bijzettafeltje met daarop een klein vaasje met plastic bloemetjes. In een hoek stond een klein kastje met boeken, in de ander een tv’tje.

Maar meestal kreeg ik geen tijd om langs haar heen te kijken, en ging de deur al snel voor mijn neus weer dicht. Want Christa had doorgaans geen zin om naar mijn verhalen te luisteren. Het kon Christa niet zoveel boeien dat een van mijn KEI-leiders was blijven slapen, of dat ik even gaar was van de tentamens. Of dat mijn kamer na al die maanden nog steeds naar een Bhutaanse tempel rook en wat ik daar nou toch aan doen kon. Christa wist ook niet welke kroegen in Groningen het leukst waren, wilde niet mee naar de flatbar van Hoendiep 1, en Christa had al helemaal geen behoefte aan mijn oprecht goedbedoelde adviezen voor haar gebroken hart, die varieerden van “eet chocola” en “doe een make-over” tot “dan zoek je toch gewoon een andere baan”.

Mijn andere nieuwe ganggenotes wilden ook niet mee naar de flatbar. Die waren van de Heer of Allah terwijl ik me in mijn nieuwgevonden vrijheid zelf god waande, dus dat hield vrij snel op. Het enige gespreksonderwerp dat ze ook aan mij toevertrouwden, was een eeuwige klaagzang over de herrie die de rolstoel van Olaf maakte wanneer hij om half vijf ’s ochtends terugkeerde van de Kroeg. Via via hoorde ik al snel dat hij daar bekend stond als “Roll-af”, omdat hij zichzelf regelmatig na een paar biertjes te veel voor de lol met veel gekletter de trap afrolde.

In mijn eentje durfde ik niet naar de bar van Hoendiep 1, want daar kende ik verder helemaal niemand. Dus als mijn KEI-leidervriendje met zijn jaarclubgenoten de hort op was moest ik het met mijn studieboeken doen. Internet kon je toentertijd in de Hoendiepflats alleen via de telefoonkabel krijgen, en door mijn mobiele beltegoed ging ik zo snel heen dat de stufi het niet bij kon benen. Dat ik zelf ook bij een studentenvereniging kon kwam op dat moment om een of andere reden niet in me op.

Regelmatig zocht ik mijn heil bij ‘ex’ Frits thuis, die ook naar Groningen vertrokken was. Hij woonde op Selwerd 3, op de begane grond. Ook daar plakte je aan de vloer, maar zijn ganggenoten waren wel gezellig. En ze hadden een kat. En een eigen flatbar. Maar ja, die kon je ook niet eeuwig lastigvallen.

De studie ging geweldig, met mij ging het minder. De vrolijk geverfde muren kwamen door de stilte en eenzaamheid die de vrijheid met zich meebracht al snel meedogenloos op me af. Tussen het hyperventileren en huilen in schreef ik op fleurig postpapier lange brieven aan mijn vriendinnen in Brabant. Groningen was fantastisch, behalve wanneer ik alleen was.

Jaren later hoorde ik dat Hoendiep 2 in de Groningse studentenvolksmond ook wel “de Vrouwenvleugel” heet. Ik snap ‘m.

“Kom hier wonen,” opperden Baard en Nelis, die bij Frits op de gang woonden. De keuken was geelbruin uitgeslagen, de wc’s hadden zwarte ringen en in de koelkasten groeide schimmel, maar de keuze was snel gemaakt.

“Vind je het hier niet leuk dan?” vroeg Christa toen ik afscheid nam. Achter haar borrelde een klein pannetje tomatensoep.

“Nee. Sorry,” mompelde ik.

De rest is geschiedenis.

Tot op de dag van vandaag is alleen wonen mijn allergrootste nachtmerrie. En tot kortgeleden had ik daarbij ook nog de angst om zo te worden als Christa; met een gebroken hart boven twee kleine pannetjes. Toen ik in 2012 wegens omstandigheden moest spoedverhuizen, ben ik hierdoor vrijwillig in een verenigingshuis gaan wonen. Door de urgentie kon ik een riant appartement voor mezelf krijgen, maar needankje.

Toch ben ik er onlangs anders tegenaan gaan kijken:

“Ik wil een tiny house,” zucht Jolien tijdens een etentje met vriendinnen.

Met z’n allen knikken we enthousiast. “Ja, ik ook!”

Al een tijdje is het een dingetje: frisse, piepkleine huisjes met opvouwbare en inklapbare meubels. Zo klein dat je heel bewust moet nadenken over wat je er verder in wilt zetten, omdat het al snel niet meer past. Hierdoor voorkom je dat je je verliest tussen de spullen, en dat je onnodige rotzooi om je heen verzamelt. En dit geeft dan weer heel veel rust. Daarnaast scheelt een tiny house uren aan opruimen en schoonmaken, en geld natuurlijk, ook niet onbelangrijk.

Nadat ik een groot deel van m’n vrije zaterdag heb besteed aan schoonmaken en opruimen, snuffel ik in bed op pinborden en kijk ik naar YouTubefilmpjes. Zo’n klein, overzichtelijk huisje. Het lijkt me wel wat. En dan denk ik aan mijn buurvrouw Christa, die het, nu ik erop terugkijk, verder altijd prima naar haar zin leek te hebben daar met dat kleine stukje vlees en dat kleine tv’tje. Zo lang ik haar rust niet verstoorde met mijn hyperactieve bakvisverhalen en -adviezen, tenminste.

Ergens was die haar tijd stiekem toch maar mooi ver vooruit.